Verschillende soorten computers.

supercomputer

Supercomputer

Een supercomputer is een computer met een buitengewoon grote bewerkingscapaciteit of rekenvermogen. Aangezien de capaciteit van (elektronische) computers sinds de invoering in de jaren 40 tot nu snel stijgt, is de definitie van een supercomputer heel erg snel verouderd. De eerste supercomputers werden gebouwd in de jaren 60 een normale rekenmachine heeft tegenwoordig een grotere capaciteit. Op dit moment is de Blue Gene/L van IBM de snelste supercomputer.

Mainframe

Mainframe

Een mainframe is een erg grote computer, waar duizenden gebruikers gelijktijdig op kunnen werken. Een mainframe wordt veel gebruikt bij grote bedrijven voor een kleine applicatie, zoals transactieverwerking bij een bank, waarvoor de gebruikers aan het mainframe worden verbonden via een simpele applicatie op een bureau-computer.

Je moet een mainframe niet verwarren met een supercomputer. Beide hebben een grote verwerkingscapaciteit, maar bij supercomputers is die vooral gericht op piekprestaties op het gebied van berekeningen, terwijl een mainframe wordt gekenmerkt door optimalisatie van I/O operaties en betrouwbaarheid. Een mainframe kan jarenlang storingsvrij doorwerken en onderhoud kan worden verricht terwijl het systeem doordraait.

De term mainframe werd ingevoerd toen in de jaren 1970 kleinere computers beschikbaar kwamen zoals de PDP van DEC; deze nieuwe computers werden toen minicomputers genoemd. De bekendste bouwer van mainframes is IBM. Een ander bedrijf die actief zijn op deze markt zijn Unisys.

Minicomputer

minicomputer

De term minicomputer stamt uit de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, toen computers nog grote apparaten waren die een hele zaal vulden, en waar een heel bedrijf gebruik van maakte (mainframe). Een aantal leveranciers bracht voor het eerst een kleiner model computer op de markt, geschikt voor een kleine werkgroep of zelfs voor een enkel individu. Zo'n computer was altijd nog zo groot als een flink bureau of een kast, maar toch zo klein dat hij 'minicomputer' genoemd kon worden.

De firma Digital Equipment Corporation heeft een belangrijke rol gespeeld in de 'emancipatie' van de computer: hun eerste model werd namelijk niet 'computer' genoemd maar 'Personal Data Processor', de PDP-1. Hiermee kon hij door een afdeling aangeschaft worden zonder de aandacht te trekken van de systeembeheerders en IT-managers. De PDP-1 had als een van de eerste computers een toetsenbord en beeldscherm, in plaats van invoer met ponskaart of ponsband. Van de opvolgers waren de PDP-8 en PDP-11 bijzonder succesvol; op een PDP-7 werd in 1969 door Ken Thompson en Dennis Ritchie het UNIX operating system ontwikkeld.

Behalve voor persoonlijk gebruik werden minicomputers ook veel toegepast voor het besturen van machines en chemische fabrieken. De generatie die erop volgde had vaak een 32-bit-processor en werd 'supermini' genoemd.

Tegenwoordig is de term 'minicomputer' niet echt gangbaar meer, de grens tussen krachtige pc, workstation en server is vervaagd. De term zou nog gebruikt kunnen worden voor alle computers die qua prestatie en functie tussen de personal computer en mainframe of supercomputer in liggen, en die niet op pc- of Macintosh-architectuur gebaseerd zijn. Hieronder vallen dan bijvoorbeeld de diverse 64-bit-modellen van de firma Sun, Silicon Graphics, Inc, Hewlett Packard (niet de pc-lijn, maar Alpha-, Itanium-, HP-3000- en HP-9000-servers) en IBM (AS/400, die door IBM zelf 'midframe' genoemd werd).

Personal Computer

mini pc Matrix tune

Een personal computer, afgekort als pc, is de algemeen gebruikte naam voor een computer voor individueel gebruik. De pc wordt gebruikt voor het uitvoeren van diverse taken, zoals administratie, tekstverwerking, toegang tot het internet, programmeren, grafisch werk, spellen, e.d. met door de gebruiker kant en klaar verkregen programma's. Te gebruiken bij werk, onderwijs, school, hobby's, enz.

De naam werd opgenomen in de taal aan het begin van de jaren '80, toen IBM zich aansloot bij de snel groeiende markt in kleine computers. Deze trend was al een aantal jaren gaande met o.a. de Altair 8800 en de Apple II. De term personal computer ontstond toen IBM zijn eerste kleine computer voor individueel gebruik uitbracht in 1981: de IBM Personal Computer. De gangbare naam van de tegenhanger voor de grote IBM (mainframe) computers (voor kantoor- en industriŽle toepassingen) was destijds microcomputer, en IBM had een eigen label nodig. Tussen beide formaten in, bestond nog de tiny, die soms als voorloper van de PC wordt beschouwd.

Hoewel de term dus in het begin exclusief gebruikt werd voor IBM Personal Computers, en later voor IBM PC-compatibele computers, wordt de term tegenwoordig gebruikt voor alle computers voor individueel gebruik.

Game Console

Geen info

minicomputer

Embedded Computer (Geldautomaat)

Geldautomaat

Een geldautomaat of bankautomaat (ook wel: flappentap of: "de muur") is een apparaat waarmee een klant met een betaalkaart geld kan opnemen. Dit proces wordt in Nederland ook wel pinnen genoemd.

Een eerste mechanische biljetuitgifte die men een geldautomaat zou kunen noemen dateert uit 1939. Hij werd ontwikkeld en gebouwd door Luther George Simjian en geÔnstalleerd bij de City Bank in New York. De automaat werd echter na zes maanden wegens gebrek aan acceptatie door klanten verwijderd.

Daarna is er gedurende 25 jaar een pauze geweest in de ontwikkeling van de geldautomaat, totdat de firma De La Rue de eerste elektronische geldautomaat ontwikkelde. Deze werd op 27 juni 1967 geÔnstalleerd bij Barclays Bank in Enfield Town (Noord-Londen).

In Nederland verschenen de eerste geldautomaten (ATM = Automated Teller Machine) in 1976 bij de Gemeentegiro Amsterdam (nu: ING/Postbank) en in BelgiŽ in 1977. Tevens vond bij die introductie in Nederland de uitreiking plaats van de eerste bankpas mťt magneetstrip ťn PINcode. Deze eerste PINpas werd 'geldkaart' genoemd en had een zilveren kleur met blauwe letters.

In 2003 vonden er via de Nederlandse geldautomaten bijna 150 miljoen geldopnames plaats. In totaal telde Nederland in dat jaar 7556 geldautomaten die Ec-ATM-, Cirrus/Maestro- en MasterCard-pinpassen accepteerden. Daarnaast waren er ruim 5000 chipknip-oplaadpunten (bron: Interpay).

Vanaf 2004 kent Nederland de mobiele geldautomaat. Deze vrijstaande geldautomaten zijn in de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ al jarenlang populair. In de praktijk blijkt dat bedrijven met een eigen geldautomaat extra klanten aantrekken. Ook geven mensen die net geld hebben opgenomen dat geld vaak weer ter plaatse uit.

Consumenten geven aan dat ze de aanwezigheid van een geldautomaat als een belangrijke reden zien om een bepaalde (horeca)gelegenheid, supermarkt of winkel te bezoeken. Ook blijkt dat ze door de aanwezigheid van een geldautomaat langer in die gelegenheid blijven en extra geld uitgeven. Met zo een eigen geldautomaat beschikken klanten snel en veilig over contant geld. Geld dat weer kan worden uitgegeven in dezelfde zaak.

Omdat de geldautomaat wordt gevuld met geld uit de eigen kassa, is het mogelijk zelf te bepalen wanneer en met hoeveel geld de automaat wordt gevuld. Door geld uit de eigen kassa te recyclen, wordt bespaard op transactiekosten en is een bezoek aan een bank minder vaak nodig. In Nederland zijn op dit moment twee partijen actief in deze markt: Moneybox en Hanco ATM.

Embedded Computer (Breedband Internet Router)

Geen info

Router

Bert Zelak 16 oktober 2007